Mijn moeder Renée kende van huis uit de watersport niet, had niets met bootjes en kon niet zwemmen. Mijn vader, zoon van een reder en goed bekend met de watersport, kocht in 1964 zonder overleg een halve boot: samen met zijn zakelijke compagnon Daan schafte hij een ruim negen meter lange Arthur Nova van de Eista werf aan. De boot kreeg de naam Fiësta. Ze maakten de afspraak dat ze ieder om de week in het weekend over de boot konden beschikken en huurden een ligplaats bij De Otter in Loosdrecht. Mijn moeder feliciteerde haar man met de aankoop en wenste hem veel plezier. Ze peinsde er niet over om een voet aan boord te zetten. Pa voer dat eerste jaar dan ook alleen over de plas. Hij had daar familie en vrienden met boten en vermaakte zich best. Na één seizoen haakte Daan af. Hij had vaak slecht weer getroffen en was het zat. Mijn vader legde de situatie thuis voor. Mijn moeder antwoordde: “Ik ga één keer mee om te zien of ik het wat vind.” Pa zag een kans en doopte de boot razendsnel om. Toen mijn moeder zag dat haar naam op de boeg prijkte, schonk ze m’n vader een glimlach van waardering. Die ging die dag niet meer van haar gezicht. De boot bleef. Moeder Renée leerde nooit zwemmen, een watersporter werd ze wel. Drie jaar later werd ik geboren.
Mijn zussen en ik groeiden op Loosdrecht op. We pasten in 1974 niet meer gedrieën in de punt, dus er kwam een grotere boot. Die werd Renée ll gedoopt. Mijn vader schakelde in 1980 nog een keer op: dat werd de Renée lll. Deze had een hoge verschans..