Blog 19 - Foto 1
Blogbook

Ankerééééén!

Profielfoto Frans de Lange
Frans de Lange

Bij het schrijven van deze blog dacht ik aan de slogan van een reclamecampagne van een supermarktketen met superenthousiaste knaagdieren in de hoofdrol. Met nog meer enthousiasme geniet ik al ruim twee jaar van mijn boot. Gedurende deze tijd heeft mijn boot ongeveer zes maanden op de kant gestaan in verband met allerlei renovatiewerkzaamheden. In de overige tijd heb ik zo’n 420 uur gevaren, waarvan 290 uur met de 57 jaar oude BMC-dieselmotor en 130 uur met de nieuwe Vetus-turbodieselmotor.

Veel vaarervaring heb ik opgedaan, maar ik had nog niet heel vaak het anker uitgegooid. Ankeren vond ik tot voor kort eigenlijk best wel een gedoe. In deze blog beschrijf ik mijn persoonlijke ankerervaringen en de lessen die ik heb geleerd.

Lekker simpel

Mijn boot heeft geen boegschroef, geen hekschroef en geen ankerlier. De boot manoeuvreert al sinds de bouw in 1968 heel goed zonder deze hulpmiddelen. Een fijne bijkomstigheid is dat ik geen last heb van technische storingen. Denk bijvoorbeeld aan een ankerlier die weigert terwijl er 30 meter ketting op de bodem ligt. Of wat dacht je van waterplanten in de boegschroef, net op het moment dat je met harde wind een sluis invaart?

‘Keep It Simple Stupid’, oftewel: hoe eenvoudiger mijn boot, hoe overzichtelijker mijn bootleven. Maar zoals Johan Cruijff al zei: ‘Elk voordeel heb z’n nadeel.’ Ankeren met mijn boot heeft wel iets meer voeten in de aarde dan simpelweg op het knopje ‘Anker ⬇️⬆️’ op het dashboard drukken.

Danforth anker

Mijn Danforth-anker, vernoemd naar de Amerikaanse uitvinder Richard S. Danforth, die het anker in 1939 ontwikkelde, ligt op het dek en weegt zo’n kleine 20 kg. Het is een zogenaamd vloeianker met twee grote, scharnierende klauwen. Zodra het anker over de bodem sleept, graven deze vloeien zich automatisch diep in de bodem in. Vooral op zand- en kleibodems werkt dit anker heel goed.

Het is een goedkoop en doeltreffend anker voor mijn boot van 10 ton en tot nu toe ben ik zeer content met de werking ervan. Het anker zit vast aan een met lood verzwaarde ankerlijn van 20 meter en ligt klaar op het dek. In noodgevallen kan ik het gemakkelijk overboord gooien zonder dat de lijn in zijn geheel met het anker mee overboord gaat. Een goede voorbereiding is écht het halve werk.

Basisprincipe

Bij het bepalen van de lengte van de ‘uitgevierde’ lijn hanteer ik het basisprincipe dat de lengte van de uitgevierde lijn minimaal vier tot vijf keer de waterdiepte moet zijn. Is het water twee meter diep, dan moet de uitgevierde ankerlijn zo’n acht tot tien meter lang zijn. Deze vuistregel zorgt ervoor dat de trekkracht op het anker horizontaal blijft, waardoor het zich goed in de bodem graaft en niet gaat krabben.

Een korte ketting helpt zeker om het anker horizontaal te houden, maar dat voegt al snel zo’n vijf kilo toe aan het totaalgewicht. Dus nee, dank je! Mijn ankerlijn is voor echt diep water veel te kort, maar voor mij is 20 meter goed te hanteren en voldoet die prima op de plekken waar ik tot nu toe vaar.

Ankeren

Zodra ik een niet al te diep plekje heb gevonden waar ik wil ankeren, leg ik de boot stil en check ik visueel of er waterplanten zijn. Vorig jaar gooide ik het anker op het Gooimeer namelijk uit zonder dit te controleren. Door de vele waterplanten greep het anker niet goed in de bodem en bij het handmatig ophalen trok ik wel vijf kilo aan waterplanten mee, inclusief wortels met grijze klei. Mijn dek was één grote modderbende. Dit is wat ik bedoelde met ‘gedoe’, maar inmiddels heb ik andere ervaringen.

De ankerlijn heb ik in twee delen van 10 meter opgeschoten en aan weerszijden van het anker neergelegd. Voordat ik het anker uitgooi, pak ik een deel van het tweede stuk lijn en maak dit vast aan de bolder op de boeg. Zo heb ik ten minste 10 meter ankerlijn beschikbaar. Daarna gooi ik het anker overboord met het eerste deel van de 10 meter lijn, dat met een robuuste D-sluiting aan het anker vastzit.

Als het water op de ankerplek dieper is dan twee à drie meter, neem ik uiteraard meer lijn. Tijdens het ankeren laat ik de motor net zo lang draaien totdat het anker goed in de bodem vastgrijpt. Ik laat de wind het werk doen. Zodra de ankerlijn strak komt te staan en ik voel dat het anker grip heeft, zet ik de motor ‘een tikkie’ in z’n achteruit. Als ik merk dat het anker nog steeds houdt, geef ik meer gas totdat ik tevreden ben. Daarna zet ik de motor uit.

Zichtbaarheid

Om overdag aan andere pleziervaarders te laten zien dat ik voor anker lig, hang ik de zwarte hardplastic ankerbal (verplicht) in mijn mast. Twee jaar geleden heb ik een klein RVS-vlaggenmastje van € 13,50 aangeschaft en dit boven in mijn RVS-mast op de stuurhut bevestigd. Ik was altijd aan het klooien om de ankerbal te bevestigen, maar met het kleine RVS-mastje is het ‘plug-and-play’. Voor extra zichtbaarheid bevestig ik een gele ankerboei met een karabijnhaak aan de ankerlijn. Normaliter bevestig je de gele ankerboei met een neuringlijn direct aan de kroon (het topje) van het anker, zodat deze de exacte positie van het anker aangeeft. Een neuringlijn kun je ook gebruiken om het anker makkelijker los te krijgen, maar daarvoor heb ik een ander trucje. De reden dat ik geen neuringlijn gebruik, is dat ik niet wil dat deze verstrikt raakt in de ankerlijn bij het overboord gooien van het anker. Van grote afstand kun je de gele ankerboei, die op zo’n vijf meter van de boeg drijft, heel goed zien. Zodra het donker wordt, zet ik uiteraard mijn rondschijnende ankerlicht aan (verplicht).


Verankerd in paradijs

Als je eenmaal voor anker ligt, dan is het écht genieten. Ik voel me dan pas écht zo vrij als een watervogel. Tijdens onze zomervakantie van 2024 ben ik met mijn vriendin naar de Spiegelplas bij Nederhorst den Berg gevaren. Mijn klassieke, zeer betrouwbare dieptemeter registreerde her en der 35 meter. Eh... mijn ankerlijn is een beetje kort, maar gelukkig zijn er ook ondiepere plekken. Het waaide flink, maar we vonden een plekje in de luwte bij een strandje. We hadden deze plas helemaal voor onszelf. In de avond hebben we de COBB BBQ uitgeprobeerd en genoten van een heerlijk maaltje, een wijntje én een prachtige zonsondergang. De Spiegelplas is een heerlijke ‘zwemvijver’ met schoon, helder water. Paradijselijk! Dankzij Mirella ben ik het zwemmen in natuurwater weer gaan omarmen. Als tiener zwom ik vaak met vrienden in het Waaltje, een klein riviertje tussen Hendrik-Ido-Ambacht en Heerjansdam.

Vorig jaar ben ik een keer naar de Pampushaven gevaren. Ik bedoel hiermee niet het havenkommetje van het eilandje Pampus bij Muiden, maar de circa drie kilometer lange inham aan de Oostvaardersdijk op de kop van Almere. Deze haven is in de jaren ’70 aangelegd als werkhaven tijdens de inpoldering van Zuidelijk Flevoland en diende als logistiek steunpunt voor de bouw van omliggende dijken en het Gemaal De Blocq van Kuffeler. Er is veel ruimte om te ankeren en je mag er drie etmalen liggen. Vanwege de dijk, die de Pampushaven scheidt van het IJmeer, lig je er heerlijk in de luwte. Zittend op het dek genoot ik van een koud biertje en een magische zonsondergang. Op zo’n moment is het leven puur en ongecompliceerd.

Verslaafd

Recent schreef ik in de Facebook-groep ‘Pleziervaart’ dat ik officieel verslaafd ben geraakt aan het bootleven en met name aan ankeren. Het mag op heel veel plekken en je ligt vaak helemaal alleen op grote meren. Drie weken geleden heb ik in één week twee keer overnacht aan een ankerlijntje: één nacht op het Eemmeer en één nacht op het Gooimeer. Het was al best warm buiten en dan ga ik graag even een rondje zwemmen. Een mooie gelegenheid om meteen de romp te inspecteren. Op het Eemmeer genoot ik wederom van een prachtige zonsondergang, terwijl vele klassieke zeilboten de spreekwoordelijke revue passeerden.


Een mooie bijkomstigheid van ankeren is dat het gratis is. Er zijn genoeg plekjes waar je in de luwte ligt achter een dijk, een eiland of een rij bomen. Ook al waait het flink, je kunt dan rustig slapen. Soms vaar ik mijn thuishaven uit en anker ik vervolgens letterlijk om de hoek op het Gooimeer.

Slapen zonder zorgen

Voordat ik überhaupt ga ankeren, check ik vóór vertrek de windverwachtingen. Bij windkracht drie durf ik wel te ankeren. Bij windkracht vier of hoger heb ik nog niet geankerd, maar dat ga ik zeker een keer overdag uitproberen. Uiteraard anker ik alleen op plekken waar het is toegestaan en dan zo ver mogelijk van de vaargeul vandaan. Slapen aan een ankerlijn is ontzettend fijn. De golven wiegen me in slaap. Heerlijk! Het zal vast iets van vroeger zijn. Ook is het bijzonder dat het uitzicht net zo snel verandert als de wind draait. Soms ben ik in de ochtend een beetje gedesoriënteerd als ik wakker word en door een patrijspoort naar buiten kijk. “Hè, waar ben ik?” Het blijft altijd spannend of het anker de boot gedurende de nacht op z’n plaats heeft gehouden.

Een tijdje terug las ik op Facebook iets over een ‘ankeralarm-app’. Ik wist van het bestaan van een ankeralarm, maar dacht dat dit alleen op dure nautische apparatuur beschikbaar was. Ik heb meteen zo’n gratis app gedownload. Nou ja zeg, gratis én doeltreffend. Het moet niet gekker worden. De app gebruikt de GPS-positie van je smartphone. Je activeert het alarm op basis van je exacte GPS-positie. Vervolgens stel je de maximale afwijking in die je boot ten opzichte van de ankerpositie mag hebben. Als je anker de boot op z’n plaats houdt, slaap je lekker. Als het anker gaat krabben en de boot de ingestelde maximale afwijking overschrijdt, word je op een gegeven moment gewekt door een hard alarm. Ook als je telefoon op stand-by staat, werkt het alarm. Niet te verwarren met de vliegtuigstand. Toch blijft het in de ochtend spannend, want stel dat die gratis ankeralarm-app toch niet werkt.


Het anker lichten

Het ‘gedoe’ van het ankeren, waarover ik aan het begin van deze blog schreef, heeft voornamelijk betrekking op het lichten van het anker. Ofwel: het met spierkracht ophalen van het anker, inclusief klei en zo, en daarna het schoonmaken van de boot. Verder kwam het regelmatig voor dat ik het anker niet loskreeg uit de bodem. Op zich is het natuurlijk heel goed als het anker stevig in de bodem verankerd zit, maar best onhandig als je wilt vertrekken.

Inmiddels heb ik een aantal handigheidjes opgepikt. Deels door mijn eigen ‘lessons learned’ en deels door de ervaringen van anderen op internet op te zoeken. Mijn vertrekprocedure als ik voor anker lig, is als volgt:

  • Allereerst start ik de motor, zodat ik direct weg kan varen zodra het anker binnenboord is. Dat is niet alleen veilig, maar ook gewoon handig, want bij harde wind wil ik niet vastlopen in ondiep water. Bovendien is de motor al warm als ik vertrek.
  • Het lichten van mijn anker is inmiddels ‘easy peasy’. In het recente verleden haalde ik de ankerlijn niet ver genoeg binnen. Hierdoor trok ik bij het eroverheen varen het anker juist nog verder de bodem in. De tip van de loodrechte lijn had ik op een forum gevonden. De zelfbedachte ‘ankerdompeltechniek’ voorkomt bovendien dat mijn boot een ‘total mess’ wordt. Ook is het fijn dat ik de zwarte ankerbal binnen vijf seconden in mijn RVS-mastje kan hangen. Ik houd van improviseren en struin soms urenlang Google af ter inspiratie voor een oplossing.
  • Vervolgens haal ik met de hand de ankerlijn zo ver mogelijk binnen, totdat de lijn vanaf de boeg loodrecht naar beneden loopt en strak staat. Pas dan maak ik de ankerlijn opnieuw aan de bolder op de boeg vast. De ankerschacht, het lange rechte deel van het anker, staat dan waarschijnlijk al omhoog, terwijl de vloeien nog in de bodem zitten. Uiteraard probeer ik eerst het anker met de hand uit de bodem te trekken.
  • Als ik het anker niet met de hand los kan krijgen, vaar ik langzaam over het anker heen. Doordat de ankerlijn strak staat én loodrecht naar beneden loopt, trek ik het anker op die manier meestal vrij gemakkelijk los. Ik merk direct dat het anker los is zodra de boot vooruitgaat. Als dat het geval is, leg ik de boot stil.
  • Op mijn knieën trek ik met een rechte rug het anker recht omhoog. Als er klei aan het anker zit, dompel ik het net zo lang in het water totdat de klei eraf is. Dat is meteen een goede oefening voor m’n spierballen. Eventuele waterplanten verwijder ik zodra het anker weer op de rubberen deurmat op het dek ligt.
  • Er zit meestal nog wat klei in het scharnierende deel van het anker. Een paar putsen water eroverheen, de gangboorden schrobben met de bezem en dan ben ik klaar.
  • Daarna leg ik direct de 20 meter lange ankerlijn weer in twee delen naast het anker op het dek, zodat ik in geval van nood zonder problemen het anker kan uitgooien.
  • Als laatste zet ik, vóórdat ik vertrek, het ankerlicht uit, haal ik de gele ankerboei van de ankerlijn af en neem ik de zwarte ankerbal uit het mastje. Dat laatste vergeet ik nog wel eens.

Op naar het volgende ankermoment!

Frans de Lange

Voordelen van het
Motorboot abonnement
12 keer per jaar thuisbezorgd én online
Onbeperkt toegang tot alle content
12 keer per jaar onze nieuwsbrief
Korting op interessante events
Ik word abonnee van Motorboot
al vanaf 68,- per jaar