Hoe snel een boot kan varen, is vast te stellen door de theoretische rompsnelheid te berekenen. Deze snelheid is een benadering, dus geen exacte wetenschap, maar vormt wel een handige vuistregel.

Het rekensommetje is relatief simpel: vermenigvuldig de wortel van de waterlijn van het schip in meters met 4,54. Een boot van 9 meter heeft dus een rompsnelheid van (√9=) 3 x 4,54 = 13,63 km/u. Als een boot vaart, duwt hij water weg, waardoor een golftop bij de boeg en het hek van de boot ontstaat, daartussen ligt het golfdal. Hoe sneller de boot vaart, hoe langer en hoger de golf wordt en hoe meer energie de boot moet leveren om het water weg te duwen. Als de lengte van de golf even lang is als de waterlijn met een boeggolf voor en een hekgolf achter en daartussen een golfdal, dan vaart een bootzijn rompsnelheid. Deze berekening gaat in principe op voor alle waterverplaatsende schepen ook wel waterverplaatsters genoemd.

Ingraven

Zou je de gashendel nog verder openduwen, dan merk je dat de boot steeds verder achterover komt te liggen: de golflengte wordt steeds groter en het golfdal komt bij het achterschip te liggen. De boot graaft zich als het ware in en komt dieper in het water te liggen. Daardoor duwt het steeds meer water voor zich uit. Vandaar de termwaterverplaatser. De boeggolf wordt hoger. Dat kost energie, brandstof dus, maar de boot vaart geen kilometer per uur sneller.

Erop en erover

De rompvorm en voortstuwingsinstallatie kunnen er voor zorgen als het ware op zijn boeggolf klimt.  Lukt dat, dan noem je een schip een halfglijder of een planerend schip. Op dat moment overstijgt het schip de snelheid van zijn romp.

rompsnelheid